Bekentenis

In het tweede jaar van mijn studie hadden we eens voorlichting over keuzevakken. Een epidemioloog kwam vertellen over zijn werk. Het was 2002 en opgewonden vertelde hij hoe hij, ergens in de jaren tachtig, twee jaar lang in de kelder van een fabriek oude personeelsarchieven had zitten doorspitten. Hij deed onderzoek naar de vraag of mensen die bij dat bedrijf gewerkt hadden, meer kans hadden op een bepaalde aandoening. Dat leek me een ontzettend interessante vraag, en de berekeningen als je eenmaal je gegevens had vond ik ook leuk. Maar eerst twee jaar in een stoffig archief zitten? Mijn 21-jarige ik niet gezien. En daarom koos ik destijds niet voor keuzevakken in de epidemiologie, maar in de toxicologie. In een lab proefjes doen leek me toen een stuk spannender.

Fast-forward: 16 jaar later doe ik toch promotieonderzoek in de epidemiologie. Toch wel een heel spannend vakgebied, zoals ik al meerdere keren schreef op dit blog. Of niet? Samen met twee collega’s was ik deze zomer in het Erasmus MC. Het was een warme woensdagmiddag in augustus en we zaten uitnodigingsbrieven voor ons onderzoek in enveloppen te stoppen en namen af te strepen op een lijst. Een paar weken later zat ik in Eindhoven plastic buisjes om bloedmonsters in op te slaan te tellen en in zakjes te doen. 50 buisjes in een zakje voor iedere deelnemer. Maal 60 deelnemers. Of een doos met papieren vragenlijsten zorgvuldig dicht te plakken om naar de postkamer te brengen.

Ben ik toch een beetje als die epidemioloog. En ik vind het nog leuk ook. Aan een 21-jarige student-assistent die me in Eindhoven hielp met de buisjes vertelde ik hoe leuk het was om onderzoek te doen, ook al is de voorbereiding daarvan niet bijzonder intellectueel of uitdagend. Maar als je daar al tweeëneenhalf jaar mee bezig bent, is het des te gaver als de ingevulde vragenlijsten binnen beginnen te druppelen. Het echt spannende werk van analyseren, opschrijven en publiceren moet nog beginnen.

Ik zag haar bijna denken: die is niet goed wijs.

Advertenties

De definitie van ‘belangrijk’

Een tijd geleden woonde ik een presentatie bij over wat belangrijk is voor patiënten. De spreker gaf een voorbeeld van een man van wie de knie was vervangen: de orthopeed kwam hem direct na de ingreep vertellen dat de operatie geslaagd was. “Ja, maar dokter”, antwoordde de man, “ik heb zo’n pijn”. Maar daar ging de orthopeed niet over. De knie was vervangen en meneer kon weer snel naar huis.

Te vaak gaat het er in de gezondheidszorg om zoveel mogelijk mensen te behandelen die zo kort mogelijk een duur ziekenhuisbed bezet liggen te houden, volgens Michael Porter, gezondheidszorgeconoom aan topuniversiteit Harvard. Terwijl het eigenlijk gaat om de patiënt: wat vindt die belangrijk? Een patiënt denkt niet in bloedglucosespiegels of in een netjes geplaatste knieprothese. Die wil gewoon niet te vaak te hoeven prikken of pijnloos kunnen lopen. Natuurlijk zijn de meeste dokters empathische mensen die graag patiënten beter maken, maar worden ziekenhuizen vaak wel afgerekend op dit soort maten van ‘kwaliteit’.

Ook bij hemofilie willen we erachter komen wat nu het allerbelangrijkst is voor mensen met hemofilie. Bloedingen zijn weliswaar vaak te behandelen of te voorkómen, maar daarmee is de impact van de aandoening op je leven nog niet weg. Waar kun je als arts dan het beste op mikken? En hoe meet je dan ‘kwaliteit’? Volgens Porter moet je dat inzichtelijk zien te maken, zodat ziekenhuizen kunnen laten zien waar ze goed in zijn, en gaan proberen hun resultaten nog verder te verbeteren.

Een paar weken geleden oogstte verzekeraar Menzis nogal wat kritiek op het plan om in de geestelijke gezondheidszorg alleen nog ‘resultaat’ te gaan vergoeden. Het ontbrak namelijk aan een definitie van ‘resultaat’. In de geestelijke gezondheidszorg is dat zo mogelijk nog moeilijker te definiëren dan bij lichamelijke aandoeningen.

Het is natuurlijk geen hogere wiskunde om te bedenken wat mensen met hemofilie belangrijk vinden, maar dat moet je dan wel goed definiëren. Dat gebeurt nu nog niet altijd. Belangrijk is natuurlijk dat je tegenwoordig in principe niet meer dood gaat aan hemofilie (althans, in de westerse wereld waar je toegang hebt tot behandeling). En of je wel of niet overleden bent is nog wel vrij makkelijk om te meten, maar ingewikkelder wordt het als je kwaliteit van leven zou willen meten en verbeteren. Want wat is dat eigenlijk? En wat ‘belangrijk’ dan is, zeker bij een dure aandoening als hemofilie, verschilt nogal voor artsen, patiënten en zorgverzekeraars.

Daar moet je het dan met al die groepen over eens worden, en daarover heb ik net samen met een paar anderen een redactioneel stuk geschreven voor het wetenschappelijke tijdschrift Haemophilia, lijfblad van de wereldwijde hemofilievereniging. Het eerste stukje voor in mijn proefschrift is er!

Functie: promovendus (/-a)

De standaardvacaturetekst voor een promovendus kennen we wel: communicatief vaardig, kunnen schrijven, analytisch denken. Maar wat moet je écht kunnen als je promotieonderzoek wilt doen? Wat staat niet in de functieomschrijving? Ik vroeg het aan 18 vrienden, bekenden en directe en indirecte collega’s die promoveren of ooit gepromoveerd zijn. Een top-10:

  1. Een enorme frustratietolerantie

Denk je een fantastisch stuk te hebben geschreven, zegt je baas: “waar slaat dit nou weer op? Begin maar opnieuw”. Of je wordt gevraagd met spoed een analyse te doen voor in het congrespraatje van je baas en daarvoor al het andere uit je handen te laten vallen, blijkt ie die analyse uiteindelijk niet te hebben opgenomen in zijn verhaal. Na de 6e keer indienen van een artikel een beoordelaar tegenkomen die opeens moeilijk doet over iets dat allang akkoord was. Negen maanden wachten op toestemming van de medisch-ethische toetsingscommissie. Een professor bellen of mailen omdat je iets nodig hebt. En. Voor. De. Tiende. Keer. Geen. Reactie. Krijgt. En zo gaat de lijst nog even door: iedereen die ik sprak kwam spontaan met voorbeelden waarin ze even flink op hun tanden moesten bijten. Of, zoals iemand het zei: er zijn momenten dat je uit het raam wilt springen. Maar, zei ze daarna, te veel frustratietolerantie is ook niet goed, want daar ga je aan onderdoor. “Er zijn problemen die je niet kunt oplossen met drank”. Wat dan te doen? Pick your battles: sommige dingen moet je slikken, en bij andere moet je voor jezelf opkomen. Die balans in evenwicht houden kun je heel goed tegen het einde van je promotietraject.

  1. Kunnen doorzetten

Als die fles wijn dan leeg is en de kater weer verdwenen, moet je weer motivatie opbrengen om verder te gaan. Niemand gaat het werk voor je doen, en je kunt niet even iets anders gaan doen, want je enige taak is uiteindelijk het schrijven van een boekje. Dus spui je je frustratie bij vrienden, collega’s of partner en ga je weer vol goede moed aan het werk. Lukt je dat niet, dan duren die vier jaar héél lang. Dat doorzetten kun je eigenlijk niet leren. Je moet van jezelf een 21:00 tot 5:00-mentaliteit hebben, zoals iemand het bondig samenvatte.

  1. Nieuwsgierig zijn en motivatie

Maar je dóet het ook ergens voor: om jezelf te ontwikkelen, om de uitdaging aan te gaan, voor betere patiëntenzorg. En je wilt iets weten, uitzoeken, verder brengen, daar zelf nieuwe ideeën uit halen. Waaróm is dit zo? Je neemt niet zomaar genoegen met een standaardantwoord. Je weet niet hoe iets moet, maar je bent vastbesloten daar achter te komen. Het is daarbij zeker handig dat je een goede klik hebt met je onderwerp.

  1. Zelfstandig zijn en kunnen plannen

Zeker in het begin lijkt promoveren een beetje op bezigheidstherapie. Je moet je eigen werk een beetje verzinnen en je iets eigen maken dat dan echt van jou wordt. Omdat er van alles tussendoor komt (zie punt 6) moet je je je werk ook wel een beetje kunnen plannen.

  1. Kunnen communiceren en samenwerken

En dat wat je zo leuk vindt, moet je ook een beetje kunnen uitleggen. Aan je ouders, tijdens feestjes, aan je prof, aan mede- en concurrerende onderzoekers op een congres, aan patiënten of proefpersonen en iedereen die iets met je onderzoek te maken heeft. En dat zijn er bij klinisch onderzoek heel wat. Jij moet iedereen op de poli, het lab, bij de goedkeurende commissie op de hoogte houden van hoe het onderzoek loopt en wat je van ze nodig hebt, en wanneer. Je moet kunnen verkopen wat je onderzocht hebt en waarom dat belangrijk is en dat ook nog een beetje leuk kunnen opschrijven. In het Engels en in het Nederlands graag.

  1. Geduld

Vooral artsen die in het ziekenhuis gewerkt hebben, schijnen te moeten wennen aan het trage tempo waarin onderzoek kan gaan: in de kliniek krijgen ze voortdurend patiëntentaken aangereikt en zie je veel sneller resultaat, maar als je promotieonderzoek doet, heb je na vier jaar een boekje geschreven dat maar een paar mensen helemaal lezen. Bovendien zet je een onderzoek niet ‘even’ op: je moet je inlezen, een opzet bedenken, langs diverse goedkeuringshobbels, gegevens verzamelen, analyses draaien… Je denkt bijvoorbeeld even mappen te maken voor ieder ziekenhuis met daarin alle benodigde documenten voor je onderzoek, en voor je het weet sta je de hele dag te kopiëren (want die printer loopt geheid een keer vast). Het leukste is natuurlijk als je je gegevens mag gaan analyseren en opschrijven. Maar dat begint meestal pas in je laatste jaar, want tussendoor komen dan nog besprekingen, researchlunches, congressen en studenten die je moet begeleiden. Zo kan het dus gebeuren dat je in die vier jaar iets hebt gedaan dat je, achteraf gezien, ook in één jaar had kunnen doen.

  1. Slim zijn

Moet je slim zijn om te promoveren? Sommigen noemden het als ‘handig’, anderen zeiden juist meteen dat je niet per sé de slimste hoeft te zijn. Natuurlijk is iedereen die een universitaire studie heeft afgerond slim genoeg, maar of je het haalt, hangt meer af van je andere eigenschappen.

  1. Lezen leuk vinden

Je leest wekelijks nogal wat af: een artikel over een statistische techniek voor de wekelijkse bespreking, een boek voor een cursus, de nieuwsbrieven met nieuw verschenen artikelen in je mailbox en natuurlijk de artikelen die je nodig hebt als basis voor je eigen onderzoek. Zeker in het begin van je promotietraject heb je nog eigenlijk geen idee wat je precies moet gaan onderzoeken, en daarom moet je je goed inlezen op wat anderen al hebben gedaan. Na een tijdje kom je af en toe een artikel tegen dat je interessant lijkt, maar waarvoor je eigenlijk even geen tijd hebt. Op mijn bureau ligt standaard een stapeltje artikelen voor later: voor ’s avonds, voor in een vliegtuig naar een congres of voor in de trein naar een overleg in een ander ziekenhuis.

  1. Creatief zijn

Als iemand wist hoe het moest, dat onderzoek van jou opzetten, had ie het zelf wel gedaan. Maar daar heeft diegene, meestal je professor, geen tijd voor. En dus moet je het zelf bedenken: je gaat op zoek naar mensen die iets vergelijkbaars hebben gedaan om inspiratie op te doen, leest erop los en probeert wat dingen uit. Als je prof en begeleider het niks vinden, hoor je het wel. Je moet dus wel een beetje buiten de lijntjes kunnen, willen en durven kleuren en een open en brede blik hebben. In sommige gevallen bestaat een groot deel van je promotieonderzoek uit zoeken naar hoe je je vragen nu weer eens op zult lossen.

  1. Perfectionistisch zijn

In klinisch onderzoek ben je bezig met gegevens die patiënten door jou hebben laten meten of voor jou hebben ingevuld op een vragenlijst. Daar moet je dus een beetje netjes mee omgaan. Maar ook in andere vakgebieden moet je alles wat je doet tien keer controleren: één foutje in je computercode en je resultaten kloppen niet meer.

Wat je dus moet kunnen als je promoveert? Van alles, of misschien valt het wel mee: promovendi zijn ook gewoon mensen. Duidelijk is dat de vraag nogal wat losmaakte. Met dank aan iedereen die mij zo openhartig over zijn of haar ervaringen wilde vertellen!

Peerreview

Met een bijna dagelijkse regelmaat krijg ik e-mails die beginnen met: “Dear Dr. Van Balen,…”. Meestal volgt dan een uitnodiging voor een dubieus congres in China, of de vraag of ik een artikel wil schrijven voor een wetenschappelijk tijdschrift waar ik nog nooit van gehoord heb (en dat misschien niet eens bestaat), maar dat volgens de afzender precies past binnen mijn “expertise”. Aan deze spam op mijn privémail ben ik aardig gewend: dit soort berichten belandt vaak keurig netjes in de junk. Laatst kreeg ik zo’n e-mail op mijn werkmail: of ik een artikel over hemofilie van commentaar wilde voorzien en wilde meebepalen of het goed genoeg was om te publiceren: ik werd nu gevraagd voor een echte peerreview.

“Maar dat is toch subjectief?”, reageerde een vriend tijdens een natte paaswandeling. Dat is het inderdaad. Toch zou ik als hemofilieonderzoeker uit het stuk moeten kunnen begrijpen welk probleem de auteurs willen onderzoeken. Als dat niet zo is, voldoet het dus niet aan de regelen der kunst die gelden in de wetenschap. Bovendien moeten de onderzoekers hun procedures zó goed opschrijven dat ik het onderzoek na zou kunnen doen. Ten slotte moeten de statistische berekeningen nog passen bij de onderzoeksvraag en moet duidelijk zijn wat de beperkingen en sterke punten zijn van het onderzoek. In veel gevallen kun je dit soort checklists redelijk goed afwerken, maar voor een deel blijft het inderdaad gut feeling.

Helaas voldeed dit artikel niet aan al deze eisen en heb ik geadviseerd het af te wijzen. De hoofdredacteur ging daarin mee. Zo’n afwijzing bepaal ik niet in mijn eentje: de redactie vraagt altijd ook een onderzoeker met meer ervaring om een stuk te beoordelen. Die andere persoon, van wie ik niet weet wie het is, bleek in dit geval grotendeels dezelfde bedenkingen te hebben als ik. Het is als beoordelaar natuurlijk wel de bedoeling dat je je commentaar een beetje netjes houdt, ook al weten de auteurs niet wie de beoordelaars zijn. Als je zelf een keer auteur bent, wil je immers ook graag zinvolle suggesties krijgen over hoe je je artikel kunt verbeteren.

Deze auteurs zijn niet de enigen die zijn afgewezen. Beroemde tijdschriften als Nature en Science accepteren minder dan 10 procent van de artikelen die ze ontvangen – en als je onderzoek niet heel erg baanbrekend is of over een heel klein vakgebiedje gaat, probeer je dat dus niet eens. Ook een goed tijdschrift specifiek over bloedstollingsstoornissen zoals de Journal of Thrombosis and Haemostasis publiceert maar 29 procent van de inzendingen. De meeste auteurs krijgen hun stuk dus níet gepubliceerd. Jammer dat het wel een belangrijk doel is voor een wetenschapper om zoveel mogelijk te publiceren. Als je artikel wordt afgewezen, zit er dus niets anders op dan je stuk herschrijven en op te sturen naar een ander, mogelijk wat minder hoog aangeschreven tijdschrift. Uiteindelijk lukt het dan vaak wel om het stuk gepubliceerd te krijgen.

Zelf heb ik nog niets gepubliceerd over hemofilie, omdat we voor ons onderzoek nog moeten gaan beginnen met gegevens verzamelen. Inmiddels weten de redacteuren van een paar tijdschriften me al wel te vinden als beoordelaar. Net als iedereen doe ik dat soort klussen er bij. Als je ingaat op zo’n beoordelingsverzoek, moet je binnen twee weken het artikel beoordelen. Dat doe je dan braaf, want ook hier geldt dat je zelf ook snel antwoord wilt hebben als je een artikel instuurt.

Als beoordelaar hoef je geen doctor te zijn, en dat ben ik ook niet. Maar het doel van deze hele exercitie van promotieonderzoek doen is natuurlijk wel om er één te worden. Hoe? Doordat iemand die wordt aangeschreven met “Dear Dr. X,..” de artikelen die ik straks ga insturen goed genoeg vindt om te publiceren.

Groen licht

De vlag mag uit en de kurk mag van de champagne: we hebben toestemming  van de medisch-ethische toetsingscommissie om te beginnen met ons onderzoek! Bijna 8 maanden na de eerste indiening van het ruim 200 pagina’s tellende standaardonderzoeksdossier en heel wat handtekeningen later hebben we nu officieel groen licht.

Tot niet eens zo heel erg lang geleden ging het er heel anders aan toe. Misschien wel het bekendste voorbeeld van verschrikkelijke experimenten uit het verleden vormen de experimenten die SS-arts Josef Mengele tijdens de Tweede Wereldoorlog uitvoerde op gevangenen van Auschwitz. Vanuit een heel sterk geloof in verschil tussen mensen mocht je toen heus wel ‘minderwaardige’ mensen onderwerpen aan gruwelijke experimenten, zoals testen op tweelingen en sterilisatie van vrouwen. Extra zuur is dat die experimenten nauwelijks wetenschappelijke kennis hebben opgeleverd, die inmiddels sowieso achterhaald is. Maar ook de Amerikanen, en ongetwijfeld andere overheden, konden er wat van: in de jaren dertig tot begin zeventig besmetten zij bewust arme zwarte mensen of gevangenen met syfilis (soms zonder hun medeweten) om te kijken wat het natuurlijke verloop van de ziekte was. En dat terwijl er allang een behandeling beschikbaar was.

Dit soort onderzoek mag nu natuurlijk niet meer, al doen er op internet nog heel wat spookverhalen de ronde over geheime experimenten. Zelfs al zou je iets in het geheim willen testen, wat heb je dan aan die kennis? Je kunt het niet publiceren, want dan zal meteen gevraagd worden naar je methodes, je proefpersonen en welke METC dat onderzoek dan goedgekeurd heeft. Wel is het zo dat medicijnonderzoek dat betaald wordt door de farmaceutische industrie vaker positieve resultaten heeft dan onderzoek dat door universiteiten gedaan wordt.

Zo schokkend als hierboven is ons onderzoek natuurlijk niet: een (lange) vragenlijst en een paar buisjes bloed afnemen op het moment dat toch al bloed wordt afgenomen voor de gewone zorg. Toch moeten we ook daar toestemming voor hebben: alles wat je iemand ‘oplegt’ of waarvoor je hem handelingen laat uitvoeren, valt onder medisch-wetenschappelijk onderzoek.  En dan nog moet het uiteindelijk nuttig kunnen zijn voor patiënten. Ook zijn we het er inmiddels allemaal over eens  dat we niet zomaar onderzoek mogen doen met kwetsbaren in de samenleving (kinderen, gehandicapten, gevangenen, minderheidsgroepen). Sowieso mogen mensen niet zonder hun medeweten meedoen aan medisch onderzoek. Nieuwe medicijnen mag je alleen op mensen testen als je denkt dat het beter werkt dan bestaande middelen (of minder bijwerkingen heeft) of als er nog geen goede behandeling bestaat. En dan nog moet de veiligheid eerst uitvoerig getest zijn in het lab of op proefdieren. Ook dat wordt nu steeds minder geaccepteerd en er wordt hard gewerkt aan alternatieven voor dierproeven.

De regels zijn streng en goedkeuring krijgen van de METC is daarom een big deal. Binnenkort kunnen we dan écht van start!

10 redenen om promotieonderzoek te doen

Je maakt lange dagen voor een relatief laag salaris, baalt als je berekening of experiment niet is gelukt en je moet vaak in je eigen tijd nog je proefschrift af schrijven. Waarom doen mensen dan promotieonderzoek? Ik vroeg het aan 22 collega’s, vrienden en bekenden die promotieonderzoek doen of ooit gedaan hebben in allerlei vakgebieden: van geneeskunde tot psychologie en van wiskunde tot stadsgeografie. Een top 10 van meestgenoemde redenen die je niet altijd in een sollicitatiegesprek hoort.

  1. De titel helpt op de arbeidsmarkt

Met stip op 1: de helft van alle ondervraagden wilde zijn of haar kansen op de arbeidsmarkt vergroten. Ze hebben het gevoel dat je de titel nodig hebt om verder te komen, zeker als je in de wetenschap wilt blijven, maar ook daarbuiten. Soms was dat niet een bewuste keus, maar bleek gaandeweg dat een extra titel gunstig zou uitpakken. Voor de artsen was er een nog specifieker doel: zonder promotietraject geen opleiding tot medisch specialist. Daarnaast noemden sommigen expliciet dat de titel ‘doctor’ voor je naam mogen zetten (of PhD erachter) een belangrijke reden was om te promoveren, of op z’n minst mooi meegenomen. Vroeger werd je dan in schriftelijke correspondentie aangeschreven als weledelzeergeleerde heer/vrouwe. Dat klinkt natuurlijk ook wel gaaf.

  1. Onderzoek is leuk

Het meest voor de hand liggende, en misschien ook wel het meest sociaal wenselijke antwoord, zoals één van de ondervraagden opmerkte: onderzoek doen is leuk. Waarom? Het is het fundament voor veel medisch handelen, je bent aan het uitpluizen hoe dingen in elkaar steken, mag daarover schrijven en je hebt de tijd je ergens helemaal in te verdiepen en het beter te begrijpen. Tijdens hun afstuderen vonden ze dat leuk, en daarom wilden ze ermee verder. Promoveren was daarbij niet eens bewust het doel (zie ook reden 4), maar meer het middel.

  1. Persoonlijke ontwikkeling

Ook van het type zeg-dit-vooral-tijdens-een-sollicitatiegesprek: ‘ik wil me verder ontwikkelen als persoon.’ Vaardigheden die de ondervraagden noemden: assertiever worden, contacten leggen, wijzer en slimmer worden, betere presentaties geven, lesgeven, professionele houding over wetenschappelijk onderzoek, communicatie, management, leiderschap en zelfstandig onderzoek kunnen doen. In andere banen kun je die vaardigheden natuurlijk ook ontwikkelen, maar promotieonderzoek doe je enkel en alleen voor jezelf. Een richting bepalen en tegenslagen verwerken dus ook. Belangrijke skills voor de toekomst dus.

  1. Ik had eigenlijk geen idee. En het maakte me ook niet uit

Verrassend genoeg wist ongeveer een derde niet goed wat hij of zij anders had moeten gaan doen na de studie. Onderzoek doen was tijdens de studie ‘wel leuk’ gebleken en daarmee doorgaan was eigenlijk een logische en veilige keus, mits het maar in het verlengde lag van de studie. Een aantal mensen had in het begin eigenlijk nauwelijks een idee wat promoveren inhield of hoe de academische wereld eruit zag en wilde wel eens kijken of dat wat was. Voor anderen was de keus nog wat willekeuriger: iedere andere baan was ook goed geweest, maar dat was lastig zonder werkervaring.

  1. De diepte in

Voor een derde was je ergens helemaal in kunnen verdiepen en ergens expert in worden een belangrijke reden om promotieonderzoek te doen. Je bent meestal immers vier jaar (en vaak langer…) bezig met één onderwerp. Niemand weet zoveel van dat onderwerp als jij. Vooral voor de mensen die vóór hun promotieonderzoek eerst ergens anders hadden gewerkt, was promotieonderzoek een nieuwe kans en uitdaging om de diepte in te gaan. Zij hadden in eerdere banen gemerkt dat dat niet altijd kon en promotieonderzoek gaan doen was daarom een bewuste keus.

  1. Wetenschappelijke vaardigheden

Ruim een kwart wilde meer ervaring opdoen met wetenschappelijk onderzoek en de academische wereld. Vooral de artsen wilden goed onderzoek leren doen, en dan specifiek onderzoek in de epidemiologie, omdat die de basis vormt van al hun klinische beslissingen (en eigenlijk sowieso heel breed toepasbaar is). In tegenstelling tot bij de meeste andere studies, komt onderzoek doen in de studie geneeskunde vrij beperkt aan de orde: geneeskundestudenten moeten een wetenschapsstage doen en ze krijgen (een beetje) les over wetenschappelijke methoden. Daar wilden de ondervraagde artsen dus meer over weten. Ze wilden de methodenparagraaf van wetenschappelijke artikelen kunnen snappen: is ingewikkelder beter? En waarom wel of niet? Ze zagen dat hun gepromoveerde collega’s het wel snapten en heel kritisch waren. Dat wilden zij ook.

  1. De wereld verbeteren

Drie ondervraagden wilden een bijdrage leveren aan de maatschappij of patiënten, en ze vinden hun onderzoek relevant. Iemand noemde het ‘onderzoek beter maken, werken voor een hoger doel.’ Een arts had gemerkt dat veel vragen in de kliniek nog onbeantwoord waren en wilde patiëntenzorg verbeteren.

  1. Nog niet klaar voor de echte wereld

Twee mensen voelden zich na hun afstuderen nog niet “klaar” om de wijde wereld in te trekken. Dan  is een tijdje in de veilige, bekende omgeving van de universiteit blijven wel zo prettig. Misschien heeft dat ook wel te maken met reden 3 en 4.

  1. Interesse in onderwerp

Iedereen wil natuurlijk werk doen dat inhoudelijk interessant is, en dan maakt het eigenlijk niet uit dat promotieonderzoek niet zo heel goed verdient. Je leert veel, onderzoek doen is nooit af (en daarom leuk), je doet iets wat je écht interesseert en je staat vooraan bij nieuwe ontwikkelingen. Zoals iemand het samenvatte: ‘Vier jaar lang betaald met een onderwerp bezig zijn wat je aanspreekt en tegelijkertijd een opleiding is, is wat mij betreft een goede deal.’

  1. Een echte baan kan altijd nog

Het is een beetje ‘nu of nooit’. Als je eenmaal medisch specialist bent en vooral productie moet draaien in het ziekenhuis, begin je er niet meer aan. Ook in andere vakgebieden kun je ‘later’ altijd nog wat anders gaan doen, maar andersom is minder voor de hand liggend, onder andere vanwege het relatief lage salaris. Promoveren vormt in zekere zin een overgangsperiode tussen de universiteit en een ‘echte’baan.

Aanvullingen? Laat een bericht achter!

 

Een nieuw begin

Met ieder boek, artikel en bureausnuisterij verdwijnt een stukje van de afgelopen twee jaar in een doos. Ik ga niet weg, maar ik moet intern verhuizen om plaats te maken voor onderzoekers van andere afdelingen die ook graag meer willen leren over epidemiologie en een jaar op de afdeling komen te zitten. Twee jaar aan kennis en wijsheid en bijna-onderzoek in twee verhuisdozen, die hobbelend op een karretje de hal door, lift in, gangetjes door, loopbrug over en bochten om gaan om uiteindelijk op mijn nieuwe werkplek terecht te komen. Een andere afdeling, andere collega’s en andere koffie.

Een hoop heb ik gedaan en geleerd in de afgelopen twee jaar. Alleen al de afgelopen weken heb ik drie abstracts geschreven, een poster gemaakt, een presentatie gehouden van bijna een half uur voor de collega’s die ‘iets’ met bloed onderzoeken (zoals trombose, hemofilie of bloedtransfusies), en groepsdiscussies voorbereid voor mijn cursus klinische epidemiologie. Waar ik de vorige keer mijn abstract nog behoorlijk moest herzien, had mijn begeleider nu voornamelijk tekstueel commentaar. De presentatie voor de bloed-collega’s was uiteindelijk door gebrek aan tijd voor een degelijke voorbereiding maar zo’n 20 minuten, maar met discussie en napraten werd het toch wel drie kwartier.

Een nieuwe werkplek is ook een soort nieuw begin. Nu ons onderzoek hopelijk bijna is goedgekeurd en nu ik veel geleerd heb over epidemiologie en statistiek, is het zo langzamerhand tijd om alvast in wetenschappelijk-artikelvorm in detail te gaan opschrijven  wat voor vraagstellingen ik ga beantwoorden en welke statistische analyses ik straks ga loslaten op mijn te verzamelen gegevens. Tijdens mijn jaarlijkse gesprek met mijn begeleider (co-promotor) en professor (promotor) bespraken we dat dat het belangrijkste plan is voor het komende jaar. Tegen die tijd is er weer een nieuw begin, als ik terugverhuis naar de afdeling klinische epidemiologie.

Maar nu eerst maar eens uitpakken.